Gecultiveerde parels worden voornamelijk in Japan, Australië en in Polynesië geproduceerd. Een vakman opent de oester, maakt een kleine snede in de mantel (huid) van de oester en brengt een kern in. De kern bestaat meestal uit kleine stukjes oester schelp. Meestal worden er meerdere kernen in het weekdier ingebracht tijdens deze handeling, waardoor de kans op het produceren van een bruikbare parel wordt vergroot.
Vervolgens wordt de oester in een bak met water geplaatst om te rusten. Later worden deze oesters overgebracht in manden die vervolgens op de zeebodem worden neergelaten om verder te leven en om parels uit nacre op te bouwen.